NRC 2.0

16/10/2010

Ernst-Jan Pfauth, hoofd internet bij NRC Handelsblad, maakte deze week online de strategie van NRC Handelsblad en nrc.next bekend. Hij wijst op de discussie over de toekomst van de online journalistiek: “Twee dingen worden eindeloos herhaald: ‘kranten gaan dood’ en ‘er zijn geen verdienmodellen’. Het is een strijd tussen de nieuwemedia-jongens en de ‘dode bomen’.”

Pfauth staat bekend als problogger: hij initieerde onder meer The Next Web waarover hij trots meldt dat die site binnen een jaar 300.000 maandelijkse bezoekers trok en dat er gemiddeld acht artikelen per dag verschenen. Hij haalt ook Clay Shirky aan: niemand weet hoe we online geld gaan verdienen. Toch gaat hij van start met als doel binnen een jaar de sites een bescheiden winst te laten boeken. Het model: een ‘vernieuwende gratis website’ waarbij gebruik wordt gemaakt van de snelheid van digitaal publiceren. Met veel verwijzingen naar andere bronnen, zodat de digitale krant een wegwijzer wordt naar expertise, waarbij redacteuren ook moeten gaan bloggen.

Nrc.nl zou met deze online strategie (meer details op nrc.nl) een spectaculaire groei moeten laten zien en nu komt het: ‘Daardoor genereren we meer advertentie-inkomsten en verdienen de redacteuren zichzelf terug.’ Het is de vraag of dit onderdeel voldoende gaat opleveren, want het advertentiemodel is een achillespees van de krant.

Daarnaast zet Pfauth in op digitale abonnementen en de verkoop van apps. Daarvan worden er per maand 120.000 gedownload – een bewijs voor vraag. Tot slot wil de chef internet van nrc.nl een slanke nieuwssite maken. Er zijn dus minder internetredacteuren nodig en NRC kiest daarbij voor kwaliteit volgens het McKinseymodel: up or out – dat wat niet functioneert, moet weg.

Kosten besparen en volgens een lean & mean model online journalistiek bedrijven: het kan allemaal. Wanneer de papieren krant over een tijdje verandert in een wekelijks magazine dat verdieping biedt (dat zou zo maar kunnen) zijn de betaalde apps en de gratis nieuwssite de laatste strohalm van het instituut NRC, als tegenhanger van het gratis oud papier dat je in de trein vindt. Het lijkt de enige weg. De komende jaren wordt duidelijk of dit een nieuwe snelweg is of een doodlopend steegje.


Dansen op een vulkaan

29/07/2010

Gisteren maakte de NOS bekend dat meer dan honderd miljoen Facebook-pagina’s in een torrent waren beland. De actie was uitgevoerd door een hacker, die aan details zoals adresgegevens, geboortedata, telefoonnummers en soms details over werk wist te komen. Hij had hiervoor een programma gemaakt dat de openbare profielen afscande en de gegevens verzamelde. Dat lijkt een beetje op de handige personenzoeker wieowie.nl, maar de hacker pakte het wat groter aan.

De titel van het oorspronkelijke bericht luidde: ‘100 million Facebook pages leaked on torrent site’, maar het is niet geheel duidelijk of er sprake is van een lek. Het gaat in de kern om gegevens, die mensen zelf op het web hebben gepubliceerd – de enige en niet onbelangrijke uitzondering was dat ook vrienden die deel uitmaken van je netwerk, maar er zelf voor kiezen hun gegevens niet te delen, nu wel in het torrentbestand zijn te vinden. De reacties op het oorspronkelijke (Britse) bericht (niet van de NOS afkomstig) waren veelzeggend: “facebook is de nummer 1 oorzaak van echtscheidingen” – met een link naar een site waar gesuggereerd wordt dat facebookinformatie wel eens wordt ingezet door echtscheidingsadvocaten. En verder werd bij de reacties natuurlijk het adres van de torrentsite vermeld.

De privacysettings van Facebook worden regelmatig aangepast. Gebruikers worden hier netjes op gewezen. Het blijft belangrijk bij sociale media om na te denken over wat je publiceert op bijvoorbeeld LinkedIn, Twitter en Facebook. Wat op het web belandt, is ‘out of your hands’: het deleten van een account geeft geen zekerheid dat die informatie ook werkelijk verdwenen is.

Vermoedelijk zijn er niet veel mensen die op eigen initiatief hun complete medische geschiedenis, hun salarisgegevens en belastingaanslagen, hun schulden en hun wetsovertredingen online zetten op Facebook of Hyves. Gelukkig hebben we daar allerlei andere partijen voor: overheidsdiensten, banken en verzekeraars, medische instellingen en apothekers. De grootste privacyrisico’s bevinden zich bij de bedrijven en instellingen, waar we als klant of burger verplicht worden vertrouwelijke informatie achter te laten. In die gevallen kan je geen invloed uitoefenen op datasecurity en privacy – we weten niet eens of die data in de cloud staan of op een dedicated server. Da’s andere koek dan een telefoonnummer, informatie over onze laatste werkkring of een foto van een heimelijke liefde.


Shoppen

08/07/2010

Als werknemer zelf je IT-pakket bij elkaar shoppen op het web? De IT-afdeling als regisseur voor een beveiligde basisinfrastructuur met voldoende interoperabiliteit? Eric Overvoorde, CIO van ingenieursbureau Royal Haskoning heeft niet het idee dat de ontwikkeling waarbij gebruikers zelf applicaties bij elkaar zoeken kan of moet worden tegengehouden. Sommige van die applicaties dragen bij aan de persoonlijke effectiviteit van medewerkers, zo erkent Overvoorde in het nieuwste nummer van Intellectueel Kapitaal.  Haskoning bekijkt zelfs of goede en ‘gratis’ internet-applicaties zoals Skype en YouSendIt vervangen kunnen worden door de zakelijke versies van deze applicaties. Natuurlijk is er een officieel standaardaanbod aan applicaties binnen Haskoning, maar sommige medewerkers schaffen betaalde diensten aan buiten dat standaardaanbod om, zoals ProjectPlace en WebEx. “Soms is dat goed en nuttig, soms hebben we daarvoor intern alternatieven die we beter moeten adverteren.” En de zakelijke e-mail van werknemers mag gewoon binnenkomen op de eigen smartphones van medewerkers, hoewel die al een ‘company blackberry’ hebben van de werkgever. Wanneer werknemers steeds vaker serieuze applicaties en handige apps van het web afhalen, stelt dat andere eisen aan de IT-afdeling. En aan de informatiehuishouding. En aan de organisatiecultuur, waarbinnen de grenzen tussen werk en privé nog verder vervagen. Niet alleen thuis merkbaar, waar de laptop permanent draait, maar ook zichtbaar op je mobiele touchscreen – waar SAP of Oracle straks draait naast Layar en LinkedIn.


Late adopters

02/03/2010

Na een bezoek aan Femke’s Twist – een soort Twitterfeest voor een vrij internet nadat Beatrix in haar kersttoespraak van 2009 zich had ontpopt als aanhanger van Andrew Keen en het internet beschreef als iets wat kan bijdragen aan vervreemding en eenzaamheid – besloot ik mijn web 2.0 activiteiten maar weer wat te intensiveren. Als journalist en uitgever moet ik immers oog houden voor het belangrijkste kenmerk van het web: onderlinge samenhang tussen de onderdelen.

Een tijdje terug zweerde ik bij hoog en laag alleen Linkedin te gebruiken als web 2.0 platform. Ik maakte al wel gebruik van RSS en alerts en allerlei andere tools, maar op het gebied van social software had ik lang geleden al besloten mijn Hyves-account op te heffen (niet in het kader van ontvrienden, ik deed er niets mee) en ook mijn Facebook-account leidde een slapend bestaan; Schoolbank.nl was ik al geheel vergeten. Twitter trok in het begin de aandacht, maar vooral beroepsmatig en door het gebrek aan relevantie (“ik rij nu naar huis en zet straks een kop thee”: informatie die er om vraagt gedeeld te worden). Blogs beschouwde ik eveneens als digitale zelfbevrediging, daarnaast wetend dat de meeste blogs weinig tot geen publiek trekken en meestal een stille dood sterven.

Maar de tijden zijn veranderd. Crossmediaal uitgeven is meer dan iets wat gedrukt is, ook op het web plaatsen. Een hoofdredacteur moet niet alleen kennis en informatie verzamelen en verwerken (met en zonder het web als infrastructuur) maar ook zijn gezicht laten zien, een merk ondersteunen, activiteiten onder de aandacht brengen en mensen inschakelen. Het publiek dat Essentials bedient is niet direct op een plaats te vinden, maar wel op het web als geheel. Iedereen heeft daar zijn eigen favoriete webstekjes en gebruikt zijn eigen kanalen, bronnen en tools om dat geheel aan informatie vervolgens weer te organiseren – een goed voorbeeld hiervan is de rubriek Toolbox 2.0 in Intellectueel Kapitaal. En wat wij laten zien in IK moeten we op zijn minst zelf ook beheersen, al is het maar omdat er niet volstaan kan worden met slechts een of twee kanalen.

Mijn feedreader staat dus naast mijn Google Twitter tool; Facebook en Hyves (zowel bedrijfsmatig als persoonlijk) zijn weer in ere hersteld; Google alerts vullen de dossiers van verschillende uitgaven met actuele berichten en webbronnen; er wordt voor de verkiezing Informatieprofessional van het Jaar samengewerkt op een wiki die net als alle andere toepassingen in de cloud zweeft; dit blog wordt regelmatig bijgehouden en losse posts worden zo nu en dan doorgekopt; ik maak deel uit van een (besloten) online community die zich als klankbordgroep moet uitspreken over de integratie van Fortis en ABN AMRO. Beeldmateriaal wordt op Flickr geplaatst en er ook zo en dan afgeplukt. Linkedin blijft in dit bonte gezelschap een topper, vooral ingezet als netwerktool, maar ook voor de PR en communicatie van uiteenlopende activiteiten van Essentials. Ohja, ik bankier ook in de cloud, net als bijna iedereen, maar dat is privégebruik van het web.

Volgend jaar kan Beatrix in haar kersttoespraak opnieuw reageren op dat web – tegen die tijd is Digital Vertigo van Keen al lang verschenen, besproken en bekritiseerd – maar ik vermoed dat ze in december 2010 een ander onderwerp aansnijdt en dat lijkt me heel verstandig. Mocht ze het web echter nogmaals ter sprake willen brengen, dan zou ze zich kunnen verdiepen in de belangrijke rol die internet al sinds jaar en dag speelt: in cultuur en maatschappij, in het bedrijfsleven, in de journalistiek, in de kenniseconomie en onderwijs; en in de (wereldwijde) politiek. En tegen kerst 2010 misschien ook in Paleis Huis ten Bosch.


Op naar web 6.0?

25/02/2010

Ten onrechte wordt met de ‘versie-nummers’ van web 1.0, 2.0 enzovoorts de indruk gewekt dat versie 2.0 een verbetering is ten opzichte van versie 1.0. Het gaat bij de ontwikkeling van internet om verschillende generaties, varianten en vormen. Web 3.0  is nog lang geen bewaarheid, laat staan web 4.0. Toch wordt er al gesproken over komende varianten. Web 4.0 zou het web moeten zijn dat proactief omgaat met onze eigen informatiebehoefte en ons als gebruiker ook actief benadert. Seth Godin, een marketing publicist, geeft op zijn blog het volgende voorbeeld:

“I’m booked on a flight from Toledo to Seattle. It’s cancelled. My phone knows that I’m on the flight, knows that it’s cancelled and knows what flights I should consider instead. It uses semantic data but it also has permission to interrupt me and tell me about it. Much more important, it knows what my colleagues are doing in response to this event and tells me. ‘Follow me’ gets a lot easier.

Google watches what I search. It watches what other people like me search. Every day, it shows me things I ought to be searching for that I’m not. And it introduces me to people who are searching for what I’m searching for.”

Web 4.0 lijkt dus vooral een meer zelfstandiger en op ons gedrag anticiperende variant van web 3.0, waar we als gebruiker nog steeds ons tot een interface moeten richten – met vragen of opdrachten. Web 4.0 denkt met ons mee – of denkt in sommige gevallen voor ons.

Zou web 5.0 dan kunnen neerkomen op een sterkere koppeling tussen ons eigen centraal zenuwstelsel en kunstmatige intelligentie? De eerste stappen zijn al gezet als het gaat om waarneming: met augmented reality en 3D modellen (GE heeft op dit gebied een verbazingwekkend voorbeeld dat iedereen met een webcam kan zien. Er worden prototypes gebouwd van 3D printers, apparaten die zichzelf kunnen dupliceren;  en inmiddels zouden ook geuren en smaken via het web uit een printer kunnen rollen met de Sense van Ontwerpbureau Associates DC&I. Onderzoekers komen steeds verder met het aansturen van computers via gedachten.

Kortom, web 5.0 staat al in de steigers. Resteert de vraag wat web 6.0 dan zou moeten zijn; misschien een web wat in de toekomst kan kijken, of een web wat mensen kan reproduceren of muteren. Tegen die tijd moeten we het web misschien afschaffen. Maar vermoedelijk is het web dan al slim genoeg om van zichzelf een backup te maken.


Web als collectief geheugen

12/02/2010

Japanse automerken stonden altijd bekend om hun betrouwbaarheid. Na Toyota, dat problemen constateerde met de remmen, moet nu ook Honda grote aantallen auto’s naar de garage laten komen om airbags te laten controleren. Het lijkt er op dat het Japanse kwaliteitsdenken haar grenzen heeft bereikt. Bad news travels fast; een snelle product recall is voorlopig het enige wat de automerken kunnen doen. Daarna moet het vertrouwen weer opnieuw worden opgebouwd.

‘Airbag Honda’ levert op Google meer dan 11 miljoen treffers op; ‘airbag’ plus een willekeurig ander automerk (Volkswagen, Peugeot, Volvo) iets meer dan de helft. Vervelend is dat alle informatie over rondvliegende stukjes metaal (het probleem bij een zich opblazende airbag bij bepaalde Honda’s, met levensbedreigende resultaten) definitief op het web blijft staan. Daar kan geen tegencampagne tegenop. Zo effectief als het web was om bijvoorbeeld Obama in het zadel te helpen, zo desastreus kan het uitpakken voor het imago van merken. Onderdeel van ieder goed functionerend geheugen is dat het ook kan vergeten, op het web is die functie niet aanwezig. We zullen op 3 maart zien of dat feilloze geheugen even hard doorwerkt bij het uitbrengen van een stem als bij het aankopen van een nieuwe auto.


Beatrix online

28/12/2009

Op Molblog breekt Egbert Jan van Bel een lans voor social media, nadat Beatrix in haar kersttoespraak van 2009 ingaat op de vraag wie onze naaste is. “Globalisering heeft afstanden verkleind en snelheden vergroot. Technische vooruitgang en individualisering hebben de mens onafhankelijker en afstandelijker gemaakt. Mensen communiceren via snelle korte boodschapjes. Onze samenleving wordt steeds individualistischer. Persoonlijke vrijheid is los komen te staan van verbondenheid met de gemeenschap. Maar zonder enig ‘wij-gevoel’ wordt ons bestaan leeg. Met virtuele ontmoetingen is die leegte niet te vullen; integendeel, afstanden worden juist vergroot.”
Waar Beatrix op doelt, is de eenzaamheid die web 2.0 kan veroorzaken: “De moderne technische mogelijkheden lijken mensen wel dichter bij elkaar te brengen maar ze blijven op ‘veilige’ afstand, schuilgaand achter hun schermen. Wij kunnen nu spreken zonder te voorschijn te komen, zonder zelf gezien te worden, anoniem”. Het is de vraag wie deze speech geschreven heeft, maar ik vermoed dat het gaat om een auteur uit CDA-hoek die niet meer helemaal bij de tijd is.

Wie gelooft in het sociale aspect van online communicatie, moet zich bewust zijn van het grote verschil tussen digitale verbindingen die de suggestie wekken dat mensen nader tot elkaar komen en werkelijk contact. Web 2.0 moet worden gezien als platform waarmee informatie-uitwisseling kan worden bevorderd. Sociale netwerken zijn als offline literatuur: je kunt informatie tot je nemen, denkbeelden uitwisselen, op het spoor komen van nieuwe ideeën en achterhalen wie dezelfde deskundigheids- of interessegebieden heeft. Het kan je perspectief verruimen. Social software kan ook de trigger zijn om daadwerkelijk in contact te treden – bijvoorbeeld wanneer je via een krabbel verneemt dat een vriend of vriendin in nood zit of leuke plannen heeft voor een avondje stappen. De sociale impact van social software staat of valt dus met het ondernemen van actie en het aangaan van een menselijke connectie en kan (alleen) dan een geweldige aanvulling zijn. Wanneer dat aangaan van menselijke connecties achterwege blijft, wekken sociale netwerksites ten onrechte de illusie dat je in contact bent. Op dat verschijnsel zou Beatrix weleens kunnen doelen en daarmee doet ze de werkelijkheid in veel gevallen tekort.

Het Sociaal Cultureel Planbureau deed in 2007 onderzoek naar de relatie tussen eenzaamheid en online/offline contacten bij tieners. Uit de resultaten kwam zowel een samenhang tussen eenzaamheid en offline contacten als tussen eenzaamheid en online contacten naar voren. Hoe meer vrienden iemand in het echte leven heeft en hoe meer contactpersonen iemand in zijn msn-lijst heeft (met wie ook daadwerkelijk regelmatig contact is), hoe minder eenzaam de tiener is. Ook de frequentie van contact met vrienden is belangrijk, maar dan alleen voor de offline contacten: hoe vaker iemand in het echt optrekt met zijn vrienden, hoe minder eenzaam hij of zij is. Er werd geen significante relatie gevonden tussen eenzaamheid en de frequentie van msn-gebruik. Eenzaamheid neemt zelfs af, wanneer online tijd vooral met goede vrienden wordt doorgebracht. Ook andere onderzoeken stellen, op vergelijkbare wijze, dat het belangrijk is met wie er online gecommuniceerd wordt. Het gevoel van eenzaamheid heeft vooral te maken met de hoeveelheid tijd die men online aan vreemden dan wel aan bekenden spendeert. Als internetgebruik het contact met bestaande vrienden stimuleert, dan versterkt dit het welzijn; als internetgebruik contact met vrienden vervangt, dan verzwakt dit het welzijn. En last but not least: negen van de tien jongeren vindt het elkaar in het echt zien heel belangrijk. Het onderzoek zou ook eens moeten worden uitgevoerd onder andere cohorten, maar het lijkt er op dat als je je in de offline wereld in sociaal opzicht kunt handhaven, de online wereld een prima aanvulling is.

Ook Andrew Keen besteedt veel aandacht aan de keerzijde  van web 2.0. In Digital Vertigo, dat in 2010 moet verschijnen, waarschuwt hij voor angst, onbegrip en eenzaamheid als gevolg van een te sterke gerichtheid op web 2.0. In de ogen van Keen kan web 2.0 geen vervanger zijn van het ondernemen van echte acties: het sociaal, politiek of maatschappelijk in beweging komen. Er wordt veel gepraat op het web, maar het web leidt niet tot democratisering en zelfs niet tot sociaal gedrag. Keen gaat graag een stap verder en waarschuwt voor de negatieve effecten van web 2.0 op politieke beeldvorming. Mensen praten elkaar snel na en veel discussies eindigen in gescheld zonder dat ze elkaar opzoeken, aldus Keen.

Terug naar de reactie van Egbert Jan van Bel op de kersttoespraak van Beatrix, die neerkomt op een aanbeveling: “Ga zelf meer bloggen en doe als deze ‘verrassing’, beste Koningin. Waarom niet? Niet dat het altijd interessant is om al tandenpoetsend ‘Goodmorning Holland!’ te tweeten, het is vooral een interessant experiment om het effect van ‘social media’ te proeven. Obama schijnt het goed te hebben gedaan, Maxime Verhagen met inmiddels bijna 25.000 volgers (!) spint garen met zijn getwitter. Maxime noemt het een directe link met het electoraat. Enzovoort…”
Ik zie geen reden waarom Beatrix in navolging van Verhagen en Obama zou moeten gaan twitteren of bloggen. Het is immers de vraag welke informatie zij kan delen met de permanente nabijheid van de RVD en de ministeriele verantwoordelijkheid. Ze kan beter investeren in het aangaan van echte relaties – voor het staatshoofd al moeilijk genoeg – en het op afstand houden van de RVD.